Technieken

Technieken


INHOUDSOPGAVE

  1. Breiend opzetten
  2. Kabelopzet
  3. Tijdelijke opzet
  4. Gedraaide ribbelrand
  5. Boord breien met twee kleuren
  6. Pasmoment
  7. Inbreien met twee kleuren
  8. Inbreien met een verlopende kleur
  9. Telpatroon
  10. Geschreven telpatroon
  11. Nop breien
  12. Dubbelsteek (Duitse manier)
  13. Kitchener Stitch
  14. I-cordmethode (beginnen met een I-cord)
  15. I-cordmethode (eindigen met een I-cord)
  16. Tunneltje breien (direct na de opzet)
  17. Tunneltje breien (in het midden van het breiwerk)
  18. Baltisch Vlechtje: (4 naalden)
  19. Weefsteek
  20. Opspannen
  21. Opspannen

1. BREIEND OPZETTEN

Zet een steek op door een lusje te maken. Steek met de rechterbreinaald in de steek. Sla de draad om, haal door (niet af laten glijden) en zet de lus op de linker naald. Herhaal van * tot *.


2. KABELOPZET

Begin zoals bij ‘breiend opzetten’. Heb je twee steken op de linkernaald,* steek dan voor de volgende steek niet ìn de steek, maar achter de steek langs. Sla de draad om, haal door (niet af laten glijden) en zet de lus op de linker naald.* Herhaal van * tot *.


3. TIJDELIJKE OPZET

(wordt gebruikt bij het begin van een I-cord)
Haak hiervoor met een restdraadje van een andere kleur bijv. zeven lossen. Haal met de haaknaald vijf steken door de lossen en zet ze op een sokkennaald.


4. GEDRAAIDE RIBBELRAND

(Brei met gewone breinaalden)
Zet voor de gedraaide ribbelrand met de hoofdkleur een aantal steken op deelbaar door vier. Brei 1 naald recht met de hoofdkleur, 2 naalden recht met bijkleur A en 2 naalden recht met bijkleur B of met de hoofdkleur.

Brei 4 steken recht met de hoofdkleur, draai nu de rechternaald mèt de vier steken rond met de klok mee.
(De punt van de rechternaald gaat eerst achterlangs en dan onderlangs en draait zo weer naar boven).
Brei weer vier steken recht en herhaal steedshet draaien.


5. BOORD BREIEN MET TWEE KLEUREN

Zet het benodigde aantal steken op met de rondbreinaald en met de hoofdkleur en brei 1 naald  boordsteek 1/1 (1 steek recht, 1 steek averecht). Begin met het breien met twee kleuren in de tweede naald.
Brei de rechte steek met de bijkleur en de averechte steek met de hoofdkleur (of andersom, maar neem altijd de draad voor de averechte steek in de rechterhand).

Met de rechterhand brei je op de Nederlandse manier door de draad averecht om te slaan. Met de linkerhand brei je continentaals en ligt de draad over de linker wijsvinger. Je steekt met de rechternaald in de steek; ga dan met de punt van de breinaald óver de draad op je linkerwijsvinger en schep zo als het ware de draad op en maak de steek af. Dit is een rechte steek.
Brei je een boord met een boordsteek in twee kleuren, dan brei je automatisch wat strakker.
Overweeg, als je erg strak breit, met een naald te breien die een halve mm dikker is. Bedenk wel dat een boord die op deze manier gebreid is, nog ongeveer tien procent op kan rekken als hij nat is.


6. PASMOMENT

Na het breien van de boord, is het handig om deze om het hoofd te passen.
Zet alle steken op een lange rondbreinaald of een lange draad en pas de boord om het hoofd. Is de boord iets te strak, brei hem dan opnieuw met een breinaald die een halve mm dikker is. Is de boord veel te strak, neem dan een dikkere breinaald en zet er ook nog een paar steken bij op. Is de boord iets te wijd, brei hem dan opnieuw met een breinaald die een halve mm dunner is. Is de boord veel te wijd, neem dan een dunnere breinaald en haal er ook wat steken af. Heb je er steken bijgezet of afgehaald, verreken dat dan wel met het aantal steken boven de boord.


7. INBREIEN MET TWEE KLEUREN

(op een rondbreinaald)
Neem de draad met de hoofdkleur in de rechterhand. De andere draad ligt over de linker wijsvinger. Brei de hoofdkleur met de rechterhand zoals gebruikelijk door op de Nederlandse manier om te slaan en door te halen.Haal de steken van de bijkleur door als volgt: Je steekt met de rechternaald in de steek; ga dan met de punt van de breinaald óver de draad op je linkerwijsvinger en schep zo als het ware de draad op en maak de steek af.

– Je wilt breien met de hoofdkleur en de draadvan de bijkleur moet meegenomen en vastgezet aan de achterkant:Brei twee of drie steken met de hoofdkleur.Steek de breinaald in de volgende steek en steek onder de draad op de linker wijsvinger door, sla om en haal de omslag onder de bijdraad door, door de steek. Zorg dat de bijdraad niet ook doorgehaald wordt. Brei de volgende steek met de hoofdkleur en de bijdraad zit vast. Herhaal dit om de twee of drie steken.

– Je wilt breien met de bijkleur en de draad van de hoofdkleur moet meegenomen en vastgezet aan de achterkant: Brei twee of drie steken met de bijkleur. Steek met de breinaald in de volgende steek, sla eerst om met de hoofdkleur, sla dan om met de bijkleur, haal de hoofdkleur terug en brei de steek af. Brei de volgende steek met de bijkleur en de hoofddraad zit vast. Herhaal dit om de twee of drie steken.

Let er wel op dat de meegenomen draad aan de achterkant ruimte moet hebben. Strijk steeds de steken naar achteren op de rechter breinaald.


8. INBREIEN MET EEN VERLOPENDE KLEUR

Je breit met twee kleuren en de bijkleur is verlopend. Als de kleur erg gaat lijken op de draad van de hoofdkleur, knip er dan een stuk tussenuit en ga verder met een meer contrasterende kleur.


9. TELPATROON

Het telpatroon heeft hokjes met verschillende kleuren. In het telpatroon zie je naast het symbool van de minderingen dat de hokjes al wit zijn. De steken zijn daar al weggelaten. Bij het symbool van de meerderingen zijn de hokjes al gekleurd. Alle witte hokjes in een telpatroon zijn geen steken. Je kunt ze dus overslaan bij het tellen.


10. GESCHREVEN TELPATROON

Bij een geschreven telpatroon lees je bijvoorbeeld: 5 av, 2 av sm, 2 r, M, 2 r, 2 av sm, 11 av 2 av sm, 2 r, M, 2 r, 2 av sm, 6 av.
Brei eerst wat vóór het sterretje staat. Herhaal steeds wat tussen * en * staat. Brei aan het eind van de naald wat achter het sterretje staat.


11. NOP BREIEN

• 3 steken recht in 1 steek (vóór insteken, omslaan, niet af laten glijden, achter insteken, omslaan, niet af laten glijden en vóór insteken, omslaan en af laten glijden)
• werk keren: brei 3 steken averecht
• steek vóór en achter in elk van de 3 steken (6 st)
• werk keren: brei 6 steken averecht
• 3 x 2 steken recht samenbreien
• werk keren: brei 3 steken averecht
• 3 steken recht samenbreien met de draad van de andere onderliggende kleur


12. DUBBELSTEEK

(Duitse manier)
Brei tot aan de stekenmarkeerder. Keren. De eerste steek averecht afhalen. Trek de draad over de naald naar achteren tot de hele steek (met twee pootjes) boven op de naald komt te liggen. Je gaat nu terugbreien. Brei recht. De dubbele steek is de eerste steek van de volgende naald en wordt als één steek gebreid. Steek de punt van de rechter breinaald dus onder twee pootjes door en brei hem als één steek.


13. KITCHENER STITCH

Een manier om steken die op twee naalden staan aan elkaar te mazen. Leg de naalden met hetzelfde aantal steken tegen elkaar aan met de achterkanten aan de binnenkant. De draad moet rechts aan het achterste breiwerk hangen. Gebruik deze om te mazen.
Leg de naalden met hetzelfde aantal steken tegen elkaar aan met de achterkanten aan de binnenkant. De draad moet rechts aan het achterste breiwerk hangen. Gebruik deze om te mazen.

Rijg met een maasnaald de steken als volgt aan elkaar:
Begin (alleen de 1e steek van de voorste breinaald en de eerste steek van de achterliggende breinaald). Eén keer, dan verder gaan met ‘vervolg’.

‘Niet afhalen’ betekent dat je de maasnaald door de steek haalt, maar dat de steek op de breinaald blijft staan. Laat de draad voorlangs onder de breinaalden lopen en trek hem direct op spanning.Voor – 1e steek averecht insteken (niet afhalen)Achter – 1e steek recht insteken (niet afhalen) Rijg met een maasnaald de steken als volgt aan elkaar:
Begin (alleen de 1e steek van de voorste breinaald en de eerste steek van de achterliggende breinaald).Eén keer, dan verder gaan met ‘vervolg’.

Vervolg Steeds herhalen tot eind. Voor – 1e steek recht afhalen, 2e steek averecht insteken (niet afhalen)Achter – 1e steek averecht afhalen, 2e steek recht insteken (niet afhalen)

I-cord of tunneltje (soms kun je kiezen tussen een I-cord of een tunneltje)
Een tunneltje is een stukje tricotsteek dat dubbelgevouwen wordt en met één naald vastgebreid wordt.Een I-cord is een ronde bies die aan het breiwerk wordt gebreid.


14. I-CORDMETHODE

(beginnen met een I-cord) 
Haak hiervoor met een restdraadje van een andere kleur zeven lossen. Haal met de haaknaald vijf steken door de lossen met de bijkleur en zet ze op de sokkennaald.Brei vijf steken recht, keer niet, maar schuif terug naar de andere kant van de naald. Trek de draad stevig aan bij de eerste steek. Herhaal steeds deze naald.Brei de I-cord tot hij om het hoofd past (ongeveer 54 cm; dit verschilt per persoon) en maak het eind aan het begin vast met de Kitchener Stitch.

Neem met de rondbreinaald en met een andere kleur steken op van de I-cord. Gebruik hiervoor de sokkennaald. Steek die in de I-cordtunnel over een lengte van ongeveer 20 steken.Neem met de rondbreinaald breiend lusjes op van de I-cord. Het is het handigst om de steken verdraaid recht te breien (brei in de achterste lus).Sla steeds na een aantal lusjes 1 lusje over (staat in het patroon vermeld). Meerder of minder in de volgende naald naar het gevraagde aantal steken.


15. I-CORDMETHODE

(eindigen met een I-cord) 
Maak een I-cord langs de beginrand van de muts als volgt. Zet op een sokkennaald 5 steken op met de tijdelijke opzetmethode. -Tijdelijke opzet. Neem langs de rand met je rondbreinaald een aantal steken op (ongeveer 20).*Brei vier steken van de sokkennaald en zet 1 steek op de rondbreinaald. Haal 1 steek af alsof je recht breit (dit is de steek die je net teruggezet hebt); haal 1 steek af alsof je averecht breit, zet ze terug en brei deze twee steken samen. Schuif dan de steken terug naar de andere kant van de naald.Herhaal van * tot *.
Maak het eind aan het begin vast met de Kitchener Stitch.


16. TUNNELTJE BREIEN

(direct na de opzet) 
Brei na de opzet ongeveer 1.5 cm recht (met de rondbreinaald) al dan niet in patroon. Leg het gebreide stukje dubbel, zodat de goede kant aan de buitenkant zit en de opzetrand achter de breinaald valt. Neem nu met een breinaald steken op van de opzetrand en brei steeds twee steken samen: 1 steek van de breinaald en 1 steek van de opzetrand.


17. TUNNELTJE BREIEN

(in het midden van het breiwerk) 
Brei 1 naald recht (met de rondbreinaald), eventueel in patroon. Rijg door deze naald een (dunne) draad van een andere (afstekende) kleur. Brei ongeveer 1.5 cm recht, eventueel in patroon. Neem met een sokkennaald aan de achterkant steeds ongeveer twintig steken op van de naald waar het draadje doorloopt. Leg het breiwerk dubbel, zodat de goede kant aan de buitenkant zit en de sokkennaald achter tegen de breinaald rust.Brei de volgende naald, maar brei de steken samen met de steken van de sokkennaald. Brei steeds twee steken samen: 1 steek van de rondbreinaald en 1 steek van de sokkennaald.


18. BALTISCH VLECHTJE:

(4 naalden)
• 1e nld: Brei recht, 1 steek hoofdkleur, 1 steek bijkleur, enz.
• 2e nld: Breng beide draden naar voren. Brei averecht. Brei kleur op kleur en draai de draden tegen de klok in boven elkaar langs.
• 3e nld: Brei weer averecht en kleur op kleur. Draai nu de draden met de klok mee, onder langs elkaar. De draad gaat onder de rechternaald en dan tussen de naalden door.
• 4e nld: Recht met de hoofdkleur. De steken staan verdraaid op de naald; brei ze, door in de achterste lus te steken. Ze staan daarna weer goed op de naald.


19. WEEFSTEEK

= draad naar voren en de steek averecht afhalen.
Het aantal steken is deelbaar door 4. De witte hokjes in het telpatroon zijn rechte steken.


20. OPSPANNEN

(van een baret)
Wanneer de baret klaar is, kun je hem wassen in een wolwasmiddel.Je kunt hem ook besproeien met water. In elk geval vochtig over een bord of schaal trekken. De baret moet behoorlijk strak getrokken worden. Is het een hoog model, schuif er dan een diep bord in. Laat hem zo drogen.


21. OPSPANNEN

(van een muts)
Zet de muts op. Zit hij goed, sproei hem dan nat en zet hem op een vaas of een trommel om te drogen.Zit de muts aan de strakke kant, gebruik dan een grotere vaas of trommel, zodat de muts een beetje uitgerekt wordt. Laat hem zo drogen.